Saeftinghe
(Passageule)
Kanoën in Europa's grootste brakwater
schorrengebied
De legende van het land van
Saeftinghe
Heel lang geleden bestond
het gebied uit vruchtbare polders. Rijke boeren bezaten dit land van
de dubbele korenaren. De boeren waren zo rijk dat ze hun paarden besloegen
met gouden hoefijzers. De drempels van hun huizen waren eveneens van
goud. Maar op een dag keerde het tij.
Een visser ving een mooie zeermeermin. Haar man smeekte de visser om
zijn vrouw terug te geven. Maar de visser weigerde koppig. En zo bezegelde
hij het ellendige lot van het welvarende poldergebied. De zeemeerman
sprak de vloek uit: "het land van Saeftinghe zal vergaan, alleen de
kerktorens zullen blijven staan!"
Het
Land van Saeftinghe was in de late Middeleeuwen een gebied van welvarende
polders, waarin verschillende dorpen lagen. Het gebied bereikte zijn
grootste omvang omstreeks 1350. De belangrijkste bestaansvormen waren
landbouw en het zogenaamde moerneren (het winnen van turf). Deze turf
werd als brandstof gebruikt en er werd zout uit gewonnen.
Als gevolg van de ligging op het punt waar Honte en Schelde samenvloeien,
was de streek bijzonder kwetsbaar voor stormvloeden. Er lagen 4 dorpjes
in de heerlijkheid (de vrije Vlaamse heerlijkheid), Saeftinghe, Namen,
St.Laureins en Casuwele. Tijdens de Allerheiligenvloed van het jaar
1570 liep het grootste deel van de polders onder water. Vier jaar later
sloeg de zee echt toe en reikte het "Verdronken Land" tot bij de plaatsen
Beveren, Verrebroek en St.Gillis in België. Het dorp Saeftinghe en nog
enkele andere stukken bleven behouden. In 1584 (de Tachtigjarige Oorlog)
staken de soldaten van de Nederlanden de laatste intact gebleven dijken
door, waardoor de totale vernietiging van de heerlijkheid en een deel
van noordoost Waasland een feit geworden was. Later is men opnieuw begonnen
met inpolderen. De laatste polder die bedijkt is, is de hertogin Hedwigepolder,
voltooid in 1907.
Wat nu nog over is, is een oppervlakte van ongeveer 3500 hectare,
bestaande uit schorren en slikken. Het gebied is doorsneden met honderden
grote en kleine geulen. De 3 hoofdgeulen zijn: Speelmansgat, IJskelder
en Hondegat, deze geulen vertakken zich naar de dijk toe steeds verder,
totdat ze uiteindelijk doodlopen. Tweemaal per dag lopen deze geulen
helemaal vol.
Het Verdronken Land van Saeftinghe is het grootste brakwatergebied van
West-Europa. Het water is ongeveer half zo zout als zeewater.
Het aantal vogels dat hier overwintert, loopt in de tienduizenden. Veel
geziene gasten zijn de wilde gans, de smient en de pijlstaarteend. Zelfs
de zeer zeldzame zeearend en grauwe kiekendief tref je er soms aan.
De flora is geheel aangepast aan het brakke water. In de lage kommen,
die bijna elk getij overstromen, treft men Engels slijkgras, zeekraal
en riet aan. Het Engels slijkgras is in de twintiger jaren ingevoerd
uit Engeland, om de landaanwinning te bevorderen. In de hogere kommen
groeit vooral schorrezoutgras, kweldergras, zeebies en zeeaster. Op
de hoger gelegen delen overheersen strandkweek, spiesblad- en zoutmelde,
terwijl op de allerhoogste gedeelten ronde rus en melkkruid voorkomen
Om de verruiging van de begroeiing tegen te gaan worden de schorren
beweid met runderen. Er bevindt zich ook nog één, buitendijkse
gelegen, schaapskooi in het gebied.
Het
is mogelijk om met een gids door het natuurgebied te trekken voor een
excursie. Een 3 à 4 uur durende tocht door dit gebied is zeker de moeite
waard. Je kunt dan de natuurkrachten zien die Zeeland door de eeuwen heen
hebben gevormd.
Eén keer per jaar organiseert KanoClub Zeeland voor haar leden een tocht
door het Verdronken Land van Saeftinghe (de heen- of de terugreis gaat
daarbij over de Westerschelde).